zaterdag, augustus 22, 2009

Taumatawhakatangihangakoauauotamateapokaiwhenuakitanatahu

Taumatawhakatangihangakoauauotamateapokaiwhenuakitanatahu is een heuvel in Nieuw-Zeeland.

Het betekent zoiets als:

De top van de heuvel waar Tamatea, de man met de grote knieën, die bergen neersloeg, beklom en verzwolg om het land door te trekken, gekend als de Landeter, speelde op zijn neusfluit voor zijn geliefde.

De grutto heeft een zachte G

Ik ben een man van 32 die graag uit het raam kijkt. Gister zag ik hoe het zonlicht ‘IK’ op de hand van het meisje bij de bushalte schreef. De grutto heeft een zachte G. Cavia’s zijn het bewijs van Gods luiheid. Bomen zonder bladeren zijn mooi.

Ik houd niet van sleur, maar het is wel mooi makkelijk.
Ik zit nu al in de stress omdat het leven te kort is.
Kukeleku is misschien wel het mooiste woord uit de Nederlandse taal.



vrijdag, augustus 21, 2009

Bestselling books of all time

Het bestverkochte boek allertijden? Dat is ongetijfeld de bijbel. Maar welk boek staat op nr 2? Een Top 10 van altijd.

1. Bijbel, 2,5 miljard exemplaren
2. Rode boekje van Mao, 800 miljoen
3. Koran, 800 miljoen
4. Xinhua Zidian een Chinees woordenboek, 400 miljoen
5. Chairman Mao’s Poems, Mao Zedong, 400 miljoen
6. Selected Articles of Mao Zedong, 252,5 miljoen
7. A Tale of Two Cities, Charles Dickens, 200 miljoen
8. Scouting for Boys: A Handbook for Instruction in Good Citizenship, 150 miljoen
9. The Lord of the Rings, J.R.R. Tolkien, 150 miljoen
10. Book of Mormon, 130 miljoen

Op de 18de plaats staat de Da Vinci code met 80 miljoen exemplaren. Op de 30ste plaats staat Harry Potter and the Deathly Hallows met 44 miljoen exemplaren. Het Achterhuis (The Diary of a Young Girl, The Diary of Anne Frank) staat op 39 met 30 miljoen. En Rupsje nooitgenoeg op nummer 50 met 29 miljoen exemplaren.

Bron Wikipedia

vrijdag, augustus 29, 2008

De zon krijgt het moeilijk morgen

Weerberichten staan vaak vol clichés. (Maar ja, wat wil je als het altijd maar regent en waait en grijs is.) De meeste mensen zullen niet al te lang stil staan bij de taal van zo’n bericht. Ze willen snel weten waar ze aan toe zijn. Een weerbericht is vooral informatief.

Toch loont het de moeite om eens wat aandachtiger naar ‘het weer’ te luisteren. Een paar dagen geleden hoorde ik deze prachtige constatering: ‘De zon krijgt het moeilijk morgen.’ En eerder nog hoorde ik Gerrit Hiemstra zeggen: ‘De buien concentreren zich nu op het oosten.’

O ja, op www.weeronline.nl krijgt het weer een heus rapportcijfer. Een 4 betekent niet veel soeps, een 9 betekent dat het weer nu eens in een opperbeste bui is.

woensdag, augustus 27, 2008

Ik ga bewerkstelligen wat ik heb gedaan

‘Wawat moet ik er feitelijk van zeggen. Ik staat op enne… ja… ja, ik ga… eh bewerkstelligen wat ik heb gedaan, enzovoorts, enne… en ik denk: Nou eh… Theo, dat moet je maar doen…
Eh, ‘t is jammer dat je, eh… sommige dingen… het was moeilijk om dat te doen, maar nou ja, Theo, denk ik bij me eigen, houd je goed en houd je netjes. Nou ja, ja, ja, ja… Je moet je feitelijk weer als een heer gedragen. Dat vond ik! Dat ik me keurig moest presenteren. Als iemand, ja, die nog, eh… iets te zeggen had. Ik had nog wel iets te zeggen. Maar ja, hehe, ja, hahaha…’

‘Wawat moet ik er feitelijk nog van zeggen. Ja. Ik ga naar bed en slapen. Slapen tot ik op kan staan…’

Onlangs stuitte ik op de website van Dichter Tonnus Oosterhoff op een merkwaardig gedicht. Het was een bewerking van een audiofragment uit de radiodocumentaire ‘honderd jaar eenzaamheid’ van Stefan Heijdendael (vpro 1999). Tonnus bewerkte het voor de boekenweek van 2008, dat ouderdom als thema had. Op de site van Tonnus hoor je het bovenstaande fragment in stukken voorbij komen. Op het scherm zie je de woorden verschijnen en weer verdwijnen. Je hoort de hese, stokkende stem van een bevende oude Theo Tukker. 100 jaar is hij op dat moment. Maar ja… hij hééft nog wat te zeggen!

maandag, augustus 25, 2008

De macht van het woord

Vandaag wees D mij op een schitterend filmpje over Johnney van Doorn (The Selfkicker). Met enthousiaste gebaren, nu en dan opvliegend uit zijn stoel vertelt hij het volgende verhaal:

'Ik zat helemaal onder in dat drijfzand en ik werd, ik ging weg. En ik zag mijn moeder aan de kant daar staan, mijn moeder. Die komt dan altijd als je dood gaat, dan komt je moeder weer naar voren. En die riep van: ‘Johnney! Johnney! Johnney!’ En mijn moeder gooide een touw naar me en een plank stak ze me toe en een hand eruit en ik zakte maar verder weg in het drijfzand. En ik stikte helemaal. En toen zag ik elelelelel bovenin zag ik een reepje blauwe lucht en toen en toen kwam er in mezelf iets op wat ik toen al niet meer kon bedenken maar dat was: Wilskracht! Marsch! Vooruit! Vuur! Vuur! Vuur! En toen schoot ik als een raket omhoog, viel weer een eindje terug en vervolgens: Vuur! Vuur! En toen schoot ik hemelhoog, ontsteeg ik uit die krochten van de geest en toen wist ik ook: Ik stik niet meer. Ik heb die doodscrisis overleefd. Dit is... ehaheh... En wat heeft... ehaheh.. En pas achteraf kan je dat helder inzien. Maar toen heb ik ervaren… de macht van het woord.'

Voor wie het zien wil.

zondag, augustus 24, 2008

De kritische nagellengte

Je zit achter je computer. Je schrijft een verhaal. En dan merk je plotseling dat je nagels te lang zijn geworden.

Het typen gaat nog best, maar verder schrijven is er niet bij. Het voelt niet lekker meer. Tien seconden geleden had je nog nergens last van, maar nu zijn je nagels ineens te lang. Eerst moeten die nagels geknipt.

Je zoekt een nagelknijpertje. Als er in mijn huis iets structureel onvindbaar is, dan is het de nagelknijper. Ik moet er onderhand een hele verzameling van hebben. Regelmatig loop ik gefrustreerd naar de drogist om een nieuwe te kopen.

Na veel zoeken. Laatjes open en dicht. Kasten in en uit. Schuiven met papieren. Boeken. Ordners. Na veel gevloek en gezucht (je wilt schrijven en geen stomme nagelknijpers lopen zoeken)... vind je dan eindelijk je knijpertje. Snel knip je je nagels.

Je wilt verder gaan met je verhaal, maar voor je een fatsoenlijke zin getikt hebt, zit je ineens met van die vragen. Verder schrijven is er niet meer bij. Dit zijn vragen die kriebelen. Dit zijn vragen die om antwoorden schreeuwen. Nu! Meteen!

1. Hoe snel groeien nagels?
2. Groeien ze de hele dag door?
3. Is er dan misschien een vast punt waarop het typen begint te irriteren?
4. Een kritische nagellengte? (De lengte die net te lang is... het scheelt fracties van nanometers, maar toch: ineens heb je te lange nagels.)

Maar bovenal:

5. Wat is de kritische nagellengte?!!!

zaterdag, augustus 23, 2008

Je ding aan de wilgen hangen

Ik heb van die uitdrukkingen die me enorm tegenstaan. Misschien waren het ooit verfrissende vondsten. Sprankelende beeldspraken. Verrassende zinsnedes. Maar door overmatig gebruik hebben ze hun glans verloren. Het zijn clichés geworden.

Ik heb dat met de uitdrukking: ‘Je ... aan de wilgen hangen.’

Het is niet van de laatste tijd. Ik erger me er al jaren aan. Zowat alles heb ik al wel eens aan de wilgen zien hangen: gitaren, harpen, strijkstokken, kroontjespennen, krijtjes, typemachines, hockeysticks, voetbalschoenen, fietsen, autosleutels, stoelen, tafels, schilderijen, complete serviezen...

Iedereen hangt zijn ding aan de wilgen.

Ik weet nog precies wanneer ik me er voor het eerst aan ergerde. Ik was 20. Juist gestopt met mijn studie journalistiek. In een brief aan iemand schreef ik: ‘En dus besloot ik mijn pen aan de wilgen te hangen…’

Je mag het best weten: ik gruwelde van die zin (en dat doe ik nog steeds). Maar toch liet ik hem staan. Ik was op dat moment toch even helemaal klaar met het schrijven. Wat kon mij het schelen? Maar een ding stond vast. Dit was de laatste, echt de allerlaatste keer.

(O ja, nog zo’n vreselijke: ‘teenkrommend’)

vrijdag, juli 11, 2008

Een zaagje in je wolkje

Soms zou ik wel een stripfiguur willen zijn. Het gewone leven kent tal van tegenstrijdigheden en onbegrijpelijke emotionele diepten en dubbelheden. Natuurlijk maken juist die paradoxen en dubbele gevoelens het leven mooi en boeiend, maar soms, zou ik wel eens willen weglopen in een platte wereld waarin alles gewoon is wat het lijkt.

Je emoties zijn zuiver en ongemengd. Kraakhelder in de vorm van doodskopjes, vuistjes en bliksemschichten. Of kloppende hartjes, bloemenkransen. Of ogen die er TJOINK uit kunnen springen van verbazing.

Een wereld vol ongevaarlijke gevaren: platgewalst worden door een stoomwals om vervolgens ‘plok, plok’ weer in de juiste vorm terug te schieten. Rennen op 11-hoog door de lucht tot dat je merkt dat er Hola! geen grond meer onder je voeten is.

Uitgewrongen, binnenstebuiten gekeerd in elkaar getimmerd en afgedroogd worden maar na de halo van twinkelende sterretjes rond je boze bolletje, krabbel je in het volgende vakje weer gewoon op. Niets aan de hand, want aan het eind staat altijd UIT.

En dan komt er vanzelf een nieuw begin. Niks geen literaire gelaagdheid. Niks geen existentieel getwijfel. Gewoon lekker simpel ’s avonds in je bedje liggen met een zaagje in je wolkje.

donderdag, juli 10, 2008

Geluk is... rinkelende muntjesregen

Er is geen fantasie in deze maatschappij. Alles is zo doelmatig. Zo efficiënt. Zo degelijk. Op het fascistische af. Waarom komt er bijvoorbeeld geen muntgeld uit de pinautomaten... gewoon om je, wanneer je daar toevallig even zin in hebt, het gevoel te geven dat je de jackpot gewonnen hebt.

Ze zouden op straathoeken, in boekhandels, restaurants, theaters, warenhuizen, kledingzaken, treinstations, parken en taartjeswinkels muntjes moeten neerleggen. Voor als je weer es besluiteloos bent...

Muntgeld zou aan de kopkant moeten spiegelen. Zoals de achterkant van een theelepel. Ieder mens heeft het recht zichzelf in zijn eigen geld terug te vinden. Waarom de levenloze blik van een staatshoofd, als je ook naar je eigen geluk kunt glimlachen.

Geld maakt niet gelukkig zeggen ze. Onzin. Ik zeg je: geluk is... rinkelende muntjesregen.

Zigzagweg in Zeeland

‘Een rotonde is eigenlijk best een cliché, vind je niet?’ Ik fietste met I over een kaarsrecht weggetje door een uitgestrekt Zeeuws weidelandschap.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij.
‘Nou, rotondes zijn altijd rond,’ zei ik, ‘best afgezaagd, toch?’
‘Ja, maar het werkt wel,’ antwoordde hij.

Ik moest denken aan het liedje ‘Bouwvakkers’ van Roosbeef. We hadden haar gezien en gehoord op het zomerfestival ‘Onderstroom’ in Vlissingen. Ze trad samen met Hans Verhagen en Simon Vinkenoog op in het poëzieprogramma ‘Het hoogste woord’. In het liedje verhief ze het alledaagse stadsbeton tot hogere kunst en de bouwvakker tot kunstenaar.

‘Als ik langs een rotonde fiets, al heb ik het warm of koud
Dan denk ik: hoe voelt dat als je dit hebt gebouwd
Wie heeft dit gemaakt en wie heeft dit gebrouwd
Wie heeft dit geplaatst en wie heeft dit gesjouwd?

(…)

Asfalt is de rode loper, stad en dorp, het is één museum
Wij zijn de toeschouwers, wij zijn de klanten
Maar niemand die kijkt...’

Een leuk idee. Ik ben gek op landschapskunst. En als het dan ook nog eens kunst is die ergens toe leidt, is het helemaal mooi meegenomen. Jammer alleen dat rotondes zo voorspelbaar zijn. En dat vluchtheuvels, stoepranden, tunnels en wegen zo fantasieloos en tot op de millimeter berekend zijn. Wegen voldoen niet aan de wetten van de schoonheid. Het zijn kille berekeningen van efficiency.
Wij Hollanders verspillen geen vierkante centimeter asfalt.
Wel stellen we duizenden euro’s subsidiegeld beschikbaar om onze rotondes te vullen met de meest lelijke wangedrochten.
Dat geld kan beter besteed worden.

Om ons heen strekte het Zeeuwse landschap zich uit tot aan de horizon. In gedachten zag ik ons over een kilometerslange zigzagweg traag door oneindig laagland gaan.
‘Het is fijn om te weten dat de dingen om ons heen nuttig gebruikt kunnen worden, maar het hoeft toch niet allemaal per se zo beredeneerd en logisch te zijn,’ ging ik verder. ‘Zo’n rotonde verrast mij niet. Deze kaarsrechte weg evenmin. Geef mij maar het raadsel van de zaagweg (handig, bedenk ik me achteraf, bij tegenwind!). Het mysterie van de asymetrische reuzenrotonde (zichtbaar vanuit de ruimte!) op het kruispunt van twee lullige landweggetjes. Of een polderweg zomaar ineens ergens onderbroken door een labyrint.’
‘Als zo’n weg dan gemaakt is van gehard spiegelglas,’ zei I, ‘zie ik het wel zitten.’